Dit artikel verscheen in ‘De Haagse Tijden’, op dinsdag 4 mei 2021
De sprookjesschrijver en de Auschwitz-overlevende
Door Anne Marie Boorsma
Kort na de oorlog kreeg de eerste man van mijn moeder, de Haagse schrijver Rico Bulthuis, een merkwaardig verzoek. Ene Karel Kats, personeelschef van een warenhuis, had contact met hem opgenomen en hem gevraagd of hij de ghostwriter wilde worden van Jack Boas, een van zijn verkopers. Want, zo vertelde Kats hem, Boas had vernietigingskamp Auschwitz overleefd en hij maakte de winkelmeisjes aan het huilen met zijn afgrijselijke verhalen. En Kats vervolgde: ‘hij kan toch niet tegen de muren praten! Hij moet het ergens kwijt. Schrijf het voor hem op. Het is weer wat anders dan sprookjes’. Wat de relatie was tussen de personeelschef en Bulthuis kan ik niet meer achterhalen. Bulthuis (1911-2009) had toen al enige bekendheid in Den Haag. Hij had sprookjes geschreven en scenario’s voor het poppentheater dat hij samen met mijn moeder bespeelde. Ook tijdens de oorlog zijn een aantal van zijn verhalen clandestien in boekvorm uitgegeven.
Het komt tot een aantal bizarre en aangrijpende ontmoetingen tussen Bulthuis en Boas. Bulthuis beschrijft het in zijn boek: ‘De koorddansers en andere herinneringen’ uit 1985. In de inleiding schrijft hij hoe Boas hem ‘wakker schudde uit mijn jeugddroom over een betere wereld’. In de hoofdstukken daarna maakt Bulthuis duidelijk hoe de Auschwitz-overlevende met een gigantische gedrevenheid verslag deed van de onvoorstelbare gruwelijkheden die de nazi’s aangericht hadden in het vernietigingskamp. Hij sprak over de vernederingen, de martelingen en de gaskamers. Hij moet ongerust zijn geweest dat Bulthuis het niet goed zou opschrijven, of dat hij hem niet zou geloven. Want regelmatig onderbrak hij zichzelf met zinnen als: ‘moet u luisteren, u schrijft het toch wel op, anders vergeet u het misschien?’ En, ‘u moet me geloven. Ik maak het heus niet mooier dan het was. Niet erger bedoel ik’.
Boas was in Auschwitz zanger in een orkest aan de zogenaamde ‘Dolly-Dolly-Strasse’. En dat is zijn redding geweest, verklaarde hij aan Bulthuis. ‘Ik zong liederen van ‘Gigli’ en van de ‘Blauwe Donau’ en ook van ‘O, kleine schildersjongen, wat ben je nou begonnen’, want ze verstonden toch geen Hollands’. Boas was een keer op de eettafel bij Bulthuis thuis gesprongen om een van zijn meest verbijsterende verhalen aanschouwelijk te maken. Er was in het kamp een brood gestolen. In een poging de dief te achterhalen werden drie mannen op een bankje gezet en een strop om hun nek gelegd. Boas was er een van. Twee mannen werden meteen opgehangen toen bleek dat ze geen naam van de dief konden noemen. En toen kwam een hoge SS-er die vroeg waarom ze Herr Sänger wilden ophangen. Boas dus. ‘De Lager-älteste zei dat ik moest laten horen hoe mooi ik kon zingen en ik begon te zingen van de blanke top der duinen en nog zowat’. Bulthuis herinnerde zich hoe Boas daar op die tafel in de huiskamer voor hem begon te zingen ‘met een heldere bariton een Duits lied waarin woorden voorkwamen over een Mädel, ein Mädel für Geld’. En Boas sloot zijn gezang af met de woorden: ‘zo zong ik (…) en die twee naast me leken wel te luisteren. De kapo moest me op de grond zetten en eerst kon ik niet meer goed lopen. Later weer wel’. Daarna stapte hij weer via een stoel van de eettafel op de huiskamervloer.
Er volgen verslagen over een arts die hem benzine-injecties toediende en ‘iets om tyfus mee op te wekken’, een verhaal over hoe de SS-ers honden in een barak joegen en stukken beten uit gillende en jammerende en biddende gevangenen. Ook een verhaal over een Poolse gevangene die uren als een kikker moest zitten en later met zijn armen op zijn rug een paar uur aan een balk werd opgehangen. Hij werd een geraamte. Toen de SS ontdekte dat hij geleerd was en zes talen sprak, werd hij tolk en kreeg hij weer te eten. De man veranderde in een beest. Hij werd kapo en schreeuwde de hele dag en sloeg en trapte als hij niet werd gehoorzaamd. Boas vertelde verhalen over dodenmarsen en kinderen die het bos werden ingestuurd om bessen te plukken en door SS-ers werden doodgeschoten.
Het verbaasde Bulthuis dat Boas nooit sprak over zijn vermoorde vrouw en familieleden, nooit iets over zijn jeugd, zijn vrienden en vriendinnen. Wel vertelde hij telkens weer over de: ‘SS-ers, kapo’s, Häftlingen, zweepslagen, cellen waar je alleen kon staan, terechtstellingen, zelfmoorden, stapels gouden kiezen uit verstijfde lijken, muziek in de Dolly-Dolly-Strasse en de hellepoort waar ‘Arbeit macht frei’ op stond’.
Begin 1946 werd het boek van Rico Bulthuis uitgegeven: ‘Fred Fernandes keert terug’ was de titel. De kampervaringen van Jack Boas in romanvorm. De twee zijn nooit echte vrienden geworden. Boas bleef zijn ghostwriter altijd afstandelijk ‘meneer’ noemen. Nadat het boek was uitgegeven hebben ze elkaar nooit meer gezien. Als ik het goed begrepen heb bevatte zijn boek één van de eerste verslagen van een Auschwitz-overlevende in Nederland. Op 26 mei 1951 schreef Ferdinand Bordewijk erover: ‘overigens als oorlogsboek het gruwelijkste en aangrijpendste in het Nederlands geschreven boek dat ik ken’. Diezelfde Bordewijk schijnt Bulthuis eens gevraagd te hebben: ‘denkt u nog wel eens aan hem?’ Waarop Bulthuis antwoordde: ‘er gaat geen dag voorbij, waarop ik niet aan hem denk, meneer Bordewijk’.
Jack Boas heeft een zoon en kleinkinderen lees ik op internet. Zijn zoon heet Bob-Lou Boas. Ik zou graag meer willen weten over het boek ‘Fred Fernandes keert terug’ en over de persoon Jack Boas. Alle informatie is zeer welkom: annemarieboorsma@gmail.com.
Literatuur: Rico Bulthuis, ‘Fred Fernandes keert terug’, Utrecht, P. den Boer, 1946 en Rico Bulthuis, ‘De koorddansers en andere herinneringen’, ‘s-Gravenhage, Nijgh & Van Ditmar, 1985
F. Bordewijk, ‘Twee fantasten in onze litteratuur. Belcampo, Sprongen in de branding. Rico Bulthuis, Edmond de Wilde en de werkelijkheid’, Utrechtsch Nieuwsblad, 26 mei 1951

